Madeleine

Madeleine

“Mijn moeder zei tijdens haar zwangerschap: ik weet het zeker, het wordt een meisje. Achteraf gezien heeft ze gelijk gekregen – het duurde dan misschien veertig jaar maar hier ben ik, met de naam die mijn moeder toen al had bedacht. Madeleine.”

“Mijn hele leven heb ik mezelf vrouw gevoeld, al was ik dan een jongetje. Al in mijn jeugd, in Woerden, voelde ik me niet op mijn plek tussen de jongens – ik had niets met machogedrag, met de manier waarop je wordt geacht je als man te uiten. Gelukkig had ik een hecht vriendenclubje daar, waarbinnen niemand het gek vond dat ik er opvallend uitzag, vrouwelijk, fleurige bloesjes en al. Mijn ouders waren behoorlijk links, maar mijn moeder was ook lid van een Christelijk kerkgenootschap. Ik durfde het gesprek over mijn ‘anders-zijn’ niet aan met ze. Wat er met me aan de hand was – ik wist het zelf niet eens. Uren heb ik in mijn eentje in de bibliotheek van Woerden gezeten, op zoek naar informatie. ‘Travestie’ was het, kennelijk. Iets geks, engs, pervers, begreep ik. Ik schrok ervan. Maar ik herkende het ook.”

“Negen jaar geleden was ik werkzaam als projectleider bij KPN. Vaste baan, zekerheid, een bodem: ik vond het tijd om mijn ouders te vertellen dat ik vrouw wilde zijn. Eerst mijn vader – mijn moeder durfde ik er niet meteen mee te confronteren, met haar kerkelijke achtergrond. Mijn hart bonsde in mijn keel toen ik erover begon, maar hij en zijn nieuwe vrouw zeiden meteen: het klopt wel, goed dat je het zegt. Was dat alles? Dat was alles. Het gesprek waar ik zo lang tegenaan had gehikt, bleek ontzettend mee te vallen.”

“Kort daarna belde mijn vader: hij was met zijn vrouw en mijn moeder bij een optreden van mijn zus. Zal ik er in de pauze even een balletje over opgooien bij je moeder, vroeg hij quasi-achteloos. Opnieuw greep het me bij de keel: de angst om niet aan het ideaalplaatje te voldoen. Oké, stamelde ik – ik dacht: hij liever dan ik. Een halfuur later, zijn vrouw aan de lijn. Je vader en je moeder zijn heel gezellig aan het praten, zei ze. Ze vindt het allemaal wel goed, hoor ik. Alsof er een huizenblok van mijn schouders gleed. Mijn angst bleek ongegrond, de grootste barrière om open kaart te spelen bleek ik zelf te hebben opgeworpen.”

“Meteen daarna besloot ik dat er niets meer zou zijn wat mij nog zou tegenhouden – ik zou vrouw worden. Bij mijn werkgever reageerde niemand daar verrast op: ik stond er al bekend om mijn extravagante kledingstijl. Ze reorganiseerden, ik vloeide af, kon me met wat geld op de bank eens goed oriënteren op mijn toekomst. In die tijd ben ik gaan praten met de artsen van het gender team van het VU Medisch Centrum. Je hebt het in je hoofd gehaald, hoorde ik daar, maar waar komt het gevoel vandaan? Nadat tijdens die onderzoeken was gebleken dat ik volkomen zeker was, begon het transitietraject. Dat duurt langer dan je lief is. Het heet dan wel ‘transitie’ maar ik noem het liever ‘evolutie’ – alle tijd ook voor twijfel: zit ik wel echt te wachten op het telefoontje van de chirurg dat het zover is? Gaandeweg raakte ik steeds dieper overtuigd dat ik ook de stap naar een operatie wilde maken. Simpelweg omdat ik mezelf telkens afvroeg: als het niet verder gaat dan dit, is het dan goed genoeg? Nee dus.”

“Tijdens het traject startte ik als postbezorger bij PostNL. Ik heb mijn leider gemeld: er komt een operatie aan, ik kan maanden uitgeschakeld zijn. Heibel verwachtte ik, ontslag misschien. Maar hij reageerde positief, we konden afspraken maken over mijn werk na terugkomst. Ik kreeg in die dagen zelfs een vast contract – een enorme steun in mijn rug. Kort na mijn operatie zei de bedrijfsarts, toen we het hadden over herintreding: je bent niet de enige. Die woorden… Fantastisch om te horen. Hij dacht met me mee, fysiek belastend werk zat er even niet in, het zou een administratieve job worden. Kort daarna kwam ik in contact met de Bond van Post Personeel. Uiteindelijk kwam ik op de kieslijst voor de Medezeggenschapsraad. Een geweldige plek in de organisatie: je gaat in gesprek over de belangrijke dossiers, binnen vrijwel de hele organisatie. Ik doe niet krampachtig over mijn achtergrond – daardoor word ik regelmatig benaderd met vragen door collega's binnen PostNL. Dan gaat het met name hoe om te gaan met een collega die transgender is. Niet dat er één recept voor is, maar het feit dat erover nagedacht wordt vind ik positief. Dat geeft mij energie.”

“Het is fantastisch en eng tegelijk, zo’n ingreep. Het blijft bizar: zo’n zware operatie, terwijl er niets levensbedreigends aan de hand is. Je gaat malen: als ik bijkom, denk ik dan niet, is dit wel een juiste beslissing geweest? God zij dank heb ik sindsdien nooit meer een spoortje van twijfel gekend.”

“Al tien jaar heb ik een relatie, we wonen parttime samen. Zij heeft me enorm gesteund. Zelf worstelt zij ook met haar identiteit; op dit moment presenteert zij zich in het weekend als vrouw. Door de week, op zijn werk, en in haar familie gaat zij nog door het leven als man. Ik ga volstrekt niet duwen, maar ik voel dat zij langzaam ook die stap aan het maken is.”

“Mogelijk is dit een controversiële uitspraak, met de conflicten over arbeidscontracten dat de pers weleens haalt, maar ik kan uit de grond van mijn hart zeggen: PostNL is een ontzettend sociaal bedrijf, een organisatie voor en door mensen. Ik ken inmiddels een aantal transgenders bij PostNL. Meestal geeft dat niet veel problemen. We zijn een bedrijf van niet lullen maar poetsen, dan maakt je afkomst of geaardheid niets uit. Natuurlijk is PostNL niet altijd een roze wolk, het beste wat je kan doen is dan zélf het gesprek starten met je collega’s, je meerderen. Natuurlijk merk ik ook nu nog weleens dat iemand vreemd reageert, die ‘vindt er iets van’. Dan neem ik de tijd om even apart met diegene te spreken: ‘Je hebt misschien een probleem met wie ik ben maar ik ben gewoon een collega. Als je die moeite neemt, opent dat wel gesprekken. Dan komen de woorden als ‘vreemde vent’ of ‘tegennatuurlijk’ naar buiten. Na zo’n gesprek reageren ze anders.”

“Tegen lezers die worstelen met problemen zoals ik die had, zeg ik: ga het gesprek aan. Deel je dromen, wensen en angsten. Wees niet bang voor wat anderen ervan zouden kunnen vinden. Alleen door je eigen angsten te overwinnen kun je worden wie je eigenlijk bent: jezelf.”

Rogier

Rogier

“Ik kom uit Huizen, uit een protestants nest. Toen ik in Tilburg organisatiewetenschappen ging studeren werd ik lid van de Evangelische Baptistengemeente. Actief in het koor, met de organisatie. Ik bleef er wonen, ook toen ik in Amsterdam filosofie ging studeren. De kerk was mijn thuis.”

“Begin 2010 maakte een jongen tijdens het stappen behoorlijke avances. De twijfel, die ik jarenlang had gevoeld over mijn geaardheid, werd die avond flink wakker geschud. Hoe kon dat nou? Ik had eerder voor mezelf besloten dat ik ècht geen homo was, ik had een vriendin! Die pakte het geweldig op toen ik mijn verwarring deelde: ‘Ook al ben je maar één procent hetero’, zei ze, ‘dan wil ik die ene procent zijn’. Lief – maar het zou niet werken, dat voelde ik meteen. Ik maakte het uit, we bleven vrienden. Klinkt luchtigjes, maar het was een vreselijke tijd. Ik was actief binnen de ChristenUnie, waar homoseksualiteit laten we zeggen geen pre was. En bij mijn andere ‘familie’, de Baptistengemeenschap in Tilburg, werd ik persona non grata. Als er over mijn ‘geval’ werd vergaderd – en dat gebeurde, avond na avond – mocht ik er niet bij zijn, ‘dat zou het proces verstoren’. Een verschikking. In alle verwarring kwam ik, in augustus, mijn huidige vriend tegen. Toen ik mijn arbeidsvoorwaardengesprek als managementtrainee bij TNT – de voorloper van PostNL – had, een week of twee later, vertelde ik dat ik een vriend had. Wel even iets om te zeggen, maar het kwam er goed uit.”

“Als adviseur mocht ik de ondernemingsraad van Productie helpen professionaliseren. Ik nam de voorzitter, Bernard de Vries, in vertrouwen over de pijn die ik voelde over de afwijzing door de kerk. ‘Als er ook maar iets is,’ zei hij, ‘stuur me dan een sms’je, dan snap ik het als je even niet op je werk komt.’ Dat was tof – en nodig ook. In Tilburg werd inmiddels hardop voor mijn zielenheil gebeden, ik bleef halsstarrig komen. Ik steek mijn homoseksualiteit niet onder stoelen of banken maar ik ben geen barricade-type: ik dacht dat het vanzelf wel goed zou komen als ik niet heel erg ‘anders’ overkwam. Ik nam mijn vriend zelfs een keer mee – kijk, dit is hem dan. Kilte, het werkte niet. Ik moest tijdens een dienst ondergaan dat een van de leden opstond en luidkeels de lieve Heer aanriep, de ogen ferm gesloten: ‘Zorg ervoor dat we allen de Natuurwetten respecteren, ook al kennen we één zondaar in persoon’. Ik las in notulen van vergaderingen hoe ze worstelden met ‘subject’ Rogier Havelaar. Het heeft me een jaar gekost voordat ik dit kon vertellen zonder in tranen uit te barsten. Ik werd verstoten.”

“PostNL bleek een verademing, een omgeving waar homoseksualiteit volkomen vanzelfsprekend wordt gevonden. Een collega vroeg in die eerste weken, toen we naast elkaar in de auto zaten: zeg eens, heb je een vriendje? een vriendinnetje? Het gewone aan die vraag ontroerde me. Bernard de Vries attendeerde me op PostNL Pride. Ik werd pas na een paar jaar lid, moest eerst mijn koudwatervrees overwinnen. Meteen voelde ik me er gehoord, gesteund. Ook op ‘zakdoekensessies’ tijdens mijn traineeship kon ik mijn verhaal over de kerk kwijt, wát een opluchting. Het leidde ertoe dat ik in 2011 alle banden met de Baptistengemeente verbrak, de ChristenUnie verruilde voor het CDA en me aansloot bij een warme gemeente, de Westerkerk in Amsterdam.”

“We gingen samenwonen en meteen stond ik met een stapel formulieren voor mijn vriend: adoptiepapieren. Hij schrok zich wild: gast, wat is dít? Maak je geen zorgen, zei ik, het duurt vijf tot zeven jaar, zoiets. Hij ging akkoord. Na vier jaar zijn we allebei het gesprek over dat plan maar eens aangegaan op ons werk – er kwamen voorbereidingscursussen aan in Utrecht, midden op de dag, de Raad voor de Kinderbescherming moest bezocht; tijdrovende zaken. Uiteindelijk, het stempeltje. Alle terechte hobbels meer dan waard. Nu was het wachten op een kind. We dachten, een peuter van drie tot vijf jaar uit Zuid-Afrika; de categorie die volgens het Adoptiebureau op ons van toepassing zou zijn. Dat hield in: na het verlossende telefoontje die kant op en ter plekke zes weken wennen. Opnieuw togen we naar onze respectievelijke HR-afdelingen: zou het mogelijk zijn om op stel en sprong zo’n verlof op te nemen? Bij PostNL mocht ik mijn verlofuren opsparen voor die reis. Ik had in mijn arbeidsovereenkomst bovendien op laten nemen dat het bedrijf zich zou inspannen om zich zo flexibel mogelijk op te stellen als mogelijk tijdens en na het adoptieproces. Ik dacht: laat ik dat maar vastleggen, voor een homostel met kinderwens is niets vanzelfsprekend.”

“Op 24 mei kregen we een telefoontje: Daniël komt eraan. Een wolk van een baby. Maar niet uit Zuid-Afrika en vier maanden oud; alles was toch weer anders gelopen. De Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg raadden – na zijn komst op 13 juni – drie maanden intensieve hechting aan. Gelukkig konden we onze werkschema’s daar onmiddellijk op aanpassen. Mijn directeur heeft zelf ook pleegkinderen thuis: hij herkende de situatie, vond het geen enkel probleem. Houd je uren maar bij, zei hij – een volkomen vertrouwen. Dat beschaamde ik dan ook niet. Ik was vlak voordat Daniël kwam begonnen als directeur stadslogistiek, het programma dat ik sindsdien leid, rond verduurzaming van de logistiek, mag niet stil komen te liggen dus vonden de collega’s en ik tussen de regeltjes door allerlei mogelijkheden om elkaar te zien, te spreken. Elke middag was ik thuis, elke ochtend mijn vriend – overdracht om één uur. Soms werk ik tussen tien en twee ’s avonds de stukken uit, om de volgende dag aan een conference call deel te nemen terwijl ik Daniël de fles geef. Die flexibiliteit wordt in mijn team toegejuicht, soms vergaderen we bij mij thuis aan de keukentafel. Na de zomer begonnen we met crèche en kinderopvang. Mijn vriend is weer fulltime gaan werken, thuis is hij achtervang – ik blijf een dag per week thuis werken.”

“Soms lukt het gewoon niet. Toen een directieoverleg te elfder ure werd omgezet, meldde ik me af: ik sta luiers te verschonen, die middag. Geen probleem, vonden ze. Ik had ook mijn vier weken adoptieverlof kunnen opeisen, maar die heb ik graag ingeruild voor deze mix van werk en privé. Dat vind ik de nieuwe norm: het is normaal dat sommige collega’s eerder beginnen en eerder weg zijn vanwege de kinderopvang – al is zulke flexibiliteit natuurlijk minder goed te regelen in bedrijfsgedeelten waar veel strakke deadlines zijn.”

“Eerlijk is eerlijk, soms voel ik ook mijn klassieke arbeidsethos opspelen. Zodra Daniël zijn middagslaapje doet, ga ik als een gek door mijn mails. Dan moet ik mezelf soms toespreken: dit is je verlofdag. Aan de andere kant, vroeger stond ik om halfzes op om te gaan hardlopen. Nu we Daniël hebben, wacht ik tot hij wakker wordt, om halfzeven – mogelijk zijn we het enige stel in het land dat dankzij de baby kan uitslapen.”

Mike (vader) en Nick (zoon)

Mike: “Toen Nick een jaar of tien was, hadden mijn vrouw en ik al onze vermoedens. Hij was zo zorgzaam, zo lief. Heel anders dan zijn broer Lucas. De allermooiste meisjes van de klas liepen achter hem aan, dat vond ik ook zo frappant – dat is mij nooit gebeurd.”

Nick: “Dat is zes jaar geleden! Ik had nog geen idee toen hoor.”

M. “Mijn vrouw en ik voeden onze twee zoons op in een vrije sfeer: alles is bespreekbaar. Stort vooral je hart uit, we kijken niet snel ergens van op. We zouden het wel horen – of merken. December vorig jaar, Nick en zijn broer gingen naar de bioscoop, elk met een vriend. De vriend van Nick kwam wel van honderdvijftig kilometer verderop, dat vonden we bijzonder. Nick was toen nog vijftien, Lucas van achttien. Die heb ik toen meegenomen naar de kamer waar Nick met zijn stapmaatje zou gaan pitten. Ik had gezien dat de matrassen naast elkaar lagen, één dekbed eroverheen. Niet handig, zei ik tegen Lucas, met zijn allen bij elkaar. Stond-ie te kijken: ‘Oh, zit dat zó…’”

N: “Toen ik anderhalf jaar geleden een mooie jongen zag voelde ik meer voor hem dan normaal, zeg maar. Twijfel: kan ik een jongen niet gewoon alleen maar knap vinden? Of was er meer aan de hand? In mijn game-vriendengroep zit een jongen die homo is. Met hem ging ik sprak ik over mijn gevoelens. Op de app gaat dat makkelijker dan live. Je kunt nadenken over de juiste woorden. Hij stelde me gerust: zulke gevoelens zijn normaal. Stan kwam ik ruim een anderhalf jaar geleden online tegen, hij woont in Brabant, tweeëneenhalf uur met de trein van ons huis in Assendelft. Ik besloot eraan toe te geven, we gingen bij elkaar op bezoek, kregen een relatie. Uiteindelijk plaatsten wij een foto op Instagram van ons samen, een datum erbij: het was officieel.”

M: “Ik werk nu zo’n twintig jaar bij PostNL, in verschillende functies. In mijn tijd op de sales-afdeling heb ik George leren kennen, een prettige collega die homo is, bij PostNL Pride in het bestuur zit. Hij komt met zijn partner af en toe bij ons op visite, ook op het werk spreken we vaak met elkaar – over van alles. Afgelopen winter heb ik hem maar eens gevraagd hoe ik erachter zou komen of mijn zoon homo zou zijn. Hoe pak je zoiets aan? Hoe maak je het bespreekbaar zonder dat het tot verwarring en pijnlijke situaties leidt? George zei: geef het even tijd, het wordt vanzelf duidelijk. We besloten thuis het onderwerp op een luchtige manier aan te raken, zonder expliciet de vraag te stellen – dat zou kunnen leiden tot ongelukkige situaties. Dus ik: ‘Wanneer komt je vriend weer eens eten? Dat zou zijn aanstaande schoonmoeder best leuk vinden’. Uiteindelijk, een zaterdagavond, iedereen voor de buis, stond je op: ‘Ik moet jullie iets vertellen.’ Hèhè, dacht ik. Ik heb het natuurlijk meteen aan George verteld. Die vond het net als wij nogal stoer hoe Nick zijn coming out beleeft: hij is nog jong – goed dat hij op een zelfverzekerde, rustige manier zijn homoseksualiteit verwoordt.”

N: “Het is voor mijn geen experiment ofzo. Ik voel me een biseksueel en ik heb een relatie met een jongen. Zo heb ik het ook aan mijn beste vriendin verteld – zij hoorde het als eerste toen we samen een avond op de bank hingen, filmpje kijken. Ze vond het super cute. Daarna heb ik het in mijn vriendenclub gedeeld, pas daarna kwamen mijn ouders aan de beurt. Ik had geen zin om ze het thuis meteen te vertellen. Komt wel, dacht ik. En toen kwamen telkens die ‘hints’. Maar ik wilde zelf het moment bepalen waarop ik het vertelde, en dat deed ik dus ook. In mijn vriendengroep is het absoluut geen issue. Maar ik weet ook wel dat andere mensen er nog van kunnen schrikken. Als we hand-in-hand door Amsterdam lopen, laten we elkaar even los als we zo’n groepje scooterjongens zien. Eigenlijk raar dat het moet, maar ik neem liever geen risico.”

M: “Als ouders hebben er een zorg bij, dat is zo. Helaas is homoseksualiteit nog steeds niet overal geaccepteerd. Er is nog volop werk te doen. Ik vind het geweldig dat PostNL het Pride netwerk heeft, beslist geen overbodige luxe om als grote werkgever echt een maatschappelijke partner te zijn, de wereld te laten zien: we zijn allemaal gelijk.”

“Een broer van mijn vader overleed jong, vijfentwintig jaar oud. Zelfmoord – heel lang werd er niet over gesproken. Ik miste hem, hij was mijn lievelingsoom, we waren dol op elkaar. Pas later werd me duidelijk dat hij tot zijn daad was gekomen uit schaamte over zijn geaardheid. Mijn vader heeft lang met het verzwijgen binnen de familie geworsteld. Hij is een paar jaar geleden overleden, maar ik weet zeker dat hij enorm blij en trots is op Nick, op hoe hij hiermee omgaat.”

N: “Op Vaderdag heb ik een cadeau gegeven, een boekje waarin je allerlei zinnen moest afmaken. ‘Wat ik leuk vind aan mijn vader is …’ en zo. Achter de zin ‘Bij jou kreeg ik de kans om…’ schreef ik ‘mezelf te zijn’.”

M: “Zo geweldig. Dat maakt me als ouder enorm trots.”

Anne

“In augustus 2007 stond ik op Canal Pride, langs de kant, fototoestel in de aanslag. Kwam daar ineens de boot van TNT langs, de voorloper van PostNL. Rillingen over mijn hele lijf: daar zou ik gaan werken. Zo immens cool. Ik bleef maar schieten.”

“Ik was al jaren uit de kast gekomen maar had geen relatie toen ik aan de slag ging bij Cendris, een onderdeel van TNT Post. Tijdens mijn aannamegesprekken was mijn relationele status geen onderwerp van gesprek geweest maar ik wilde mezelf wel ‘kenbaar’ maken op de werkvloer. Om verhalen voor te zijn, duidelijkheid te scheppen. Ik heb er wel over gepiekerd: hoe vertel ik wie ik ben op mijn werk zonder dat het Een Ding wordt?”

“Op mijn afdeling zaten zes projectmanagers en zes implementatiemanagers. Die laatste groep werd geleid door Nicolette. Bij haar voelde ik meteen: die is leuk. Mijn eigen manager was wat ze in de organisatiekunde een ‘rood’ type noemen: die kon weleens wat bot uit de hoek komen, bij hem voelde ik me minder veilig met mijn verhaal. Maar hij vertrok vrijwel meteen nadat ik was begonnen naar een andere afdeling en Nicolette werd ook mijn manager. Kat in het bakkie, zou je zeggen. En toch bleef ik aarzelen: hoe zorg ik nou dat ik het onderwerp heel gewoontjes kon brengen? De gelegenheid deed zich maar niet voor.”

“Via internet ontdekte ik dat er zoiets bestond als TNT Pride, waarbij zich homo’s en lesbiennes binnen het bedrijf hadden verenigd. Ik ging naar een bijeenkomst. Die bleek te gaan over de deelname aan de eerstvolgende Canal Pride-botentocht over de Amsterdamse grachten in 2008. Een van de bestuursleden wist dat ik als projectmanager was begonnen: ‘Echt iets voor jou om de boel te managen,’ zei hij. Ik vond het geweldig. Maar het zou veel tijd kosten, ook overdag.”

“Een stafdirectielid dat voorzitter was van het Pride netwerk had na overleg ‘bovenlangs’ meteen contact opgenomen met mijn business unitdirecteur Marcel Krom. Pas later begreep ik dat die op zijn beurt Nicolette weer had gebeld om zijn akkoord te geven op mijn uren voor de organisatie. Ze vertelde me later smakelijk dat hij haar voicemail had ingesproken vanuit de auto. Het was een slechte verbinding, ze hoorde zoiets als ‘Anne… boot… Canal Pride’. Toen Nicolette en ik gingen praten over mijn werkzaamheden rondom de boot vroeg ze of ik op mannen viel; ik hoefde dat alleen nog maar te bevestigen. Ze had al wel haar vermoedens maar durfde het niet te vragen, zei ze toen. Want stel dat het niet zo zou zijn... We hebben wel om die situatie gelachen samen.”

“Het gekke is: ik wist dat mijn homoseksualiteit bij TNT en later PostNL geen enkel issue zou zijn – en tóch had ik het er moeilijk mee om het te brengen. De onzekerheid over mógelijke reacties, dát weerhoudt je. Collega’s zouden daar dan best op een leuke manier doorheen mogen prikken als ze het merken, denk ik weleens.”

“Ik ben de organisatie rond de deelname van TNT aan Canal Pride erbij gaan doen. Een volwassen klus: projectfinanciering vanuit TNT, planning, allerlei overleg. Daar hoorde ik over de uitdagingen van het Pride netwerk. TNT was actief in landen waar je om je geaardheid kon worden ‘gelyncht’. Het was een zichtbaar project, ik groeide binnen een paar maanden uit tot de bedrijfshomo. Er kwamen zelfs interviews in de krant, binnen het managementteam van Cendris werd gegrapt: ons kent (toenmalig) CEO Peter Bakker niet maar die Anne, die zie je overal.”

“Na een jaar heb ik het stokje overgedragen, de jaren daarna heb ik meegeholpen en meegevaren natuurlijk – mijn betrokkenheid groeide uit tot het voorzitterschap van PostNL Pride, dat zo’n 350 leden telde. Ook hetero’s overigens, die de goede zaak een warm hart toedragen. Heftige kwesties bereikten ons soms: ‘Ik durf op mijn werk niet uit de kast te komen, dat vindt mijn multiculturele collega niet tof – denk ik.’ Ook incidenten: uitschelden, pesten. Dat pakt PostNL ‘via de lijn’ op. Pride seint als het moet het management in, waarop dat actie onderneemt. Maar eerlijk is eerlijk, sommige managers omarmen onze business principles – waaronder gelijkheid – maar matig. Dan proberen we via de landelijke directie invloed uit te oefenen. Al met al scoort PostNL als een van de bedrijven die deelnemen aan een jaarlijks onafhankelijk diversiteitsonderzoek steevast in de bovenste regionen.”

“Een van mijn resultaten als voorzitter was het voorzien van het medewerkers-betrokkenheidsonderzoek van vragen over homoseksualiteit. Daarbij meten we hoe het met de acceptatie staat en wat het management nog kan verbeteren aan voorlichting, aan zichtbaarheid.”

“De Pride-boot is gelukkig allang geen hoofdkantoorfeestje meer, ook postbezorgers uit alle delen van het land vragen of ze mee kunnen varen. Ook met ‘coming out day’, elk jaar in oktober, maken we de aandacht voor homoseksualiteit binnen PostNL zichtbaar. Het concernmanagement is oprecht betrokken bij alle initiatieven. Niemand wordt hier gedwongen tot een ‘coming out’ maar we maken het bespreken van homoseksualiteit laagdrempelig, zodat gesprekken daarover gemakkelijker tot stand komen dan bij mij destijds.”

“In 2008 kwam ik mijn huidige man tegen. Ik sleepte hem meteen mee naar de uitvaart van mijn vader, die overleed toen we elkaar net kenden – hij líet zich meeslepen ook, stonden we daar als kersvers koppel aan het graf. Een enorme rollercoaster, een mix van verdriet en geluk. Een half jaar later woonden we samen in Rotterdam, allebei druk met werk, genietend van de reizen die we samen maakten. Een fantastische tijd – totdat ik één dag voor kerstmis in 2013 bericht kreeg van de specialisten: u hebt de meest agressieve vorm van lymfeklierkanker, in het laatste stadium. Een heftige periode van ruim een half jaar chemo volgde, zonder garanties. Niels bleef, zorgde voor me – koos voor me. We zijn in 2014 getrouwd, tussen de behandelingen door. Ook PostNL bleef intens betrokken. Mijn collega’s hebben me tijdens de behandelingen en herstel erna alle support en ruimte gegeven om er weer bovenop te komen. En dat ging verrassend goed: Ik was binnen een jaar van het moment van diagnose weer fulltime aan de slag.”

“Ik ben nu vier jaar schoon, heb nergens last van. Een klein wonder – nou ja: een groot wonder. Als ik alles had geloofd wat ik onwillekeurig op internet ben tegengekomen, was ik al drie keer dood geweest of had ik op zijn minst licht gegeven. Maar we leven, en hoe. Ook volgend jaar augustus ben ik weer in Amsterdam te vinden voor de Pride, reken maar.”

CEO Herna Verhagen en voorzitter PostNL Pride Jack Brilleman

Herna: “Ik herinner me dat een voetballer afgelopen voorjaar tijdens een Eredivisiewedstrijd een aanvoerdersband droeg in de regenboogkleuren. Stoer, vond ik. Wat bleek? Hij werd bedolven onder de negatieve reacties van zogenaamde supporters. Ik wil maar zeggen: we staan bekend als een tolerant land maar mensen die opkomen voor gendergelijkheid hebben het soms nog steeds niet gemakkelijk. Des te indrukwekkender zijn de verhalen die nu op deze site staan, in de flyer heb je al een voorproefje gezien. Wat moet het ingrijpend zijn om erachter te komen dat je liefdesleven niet ‘mainstream’ is, en vaak nog ingrijpender om die wetenschap te moeten delen. Je werkomgeving kan daarbij helemáál aanvoelen als een obstakel.”

Jack: “Ik ben getroffen door de moed van de medewerkers die hun verhaal delen. Ze belichten hun onbekende, bijzondere kant – ook collega’s die ik via mijn werk goed dacht te kennen. De bijdragen zijn voor mij dan ook een wake up call: plaats niemand te snel in een hokje. Je kunt, als je je werkelijk openstelt, nog zoveel ontdekken aan je collega’s dat de moeite waard is.”

Herna: “PostNL ontwikkelt al jaren activiteiten rond Coming Out Day. Een van onze ‘business principals’, onze bedrijfsmatige normen en waarden, is immers dat iedereen gelijk is. Ongeacht afkomst, huidskleur, sekse of geaardheid. We boeken succes. Uit onze onderzoeken blijkt dat werknemers steeds minder discriminatie ervaren tijdens hun werk, dat er minder klachten zijn op dit gebied. Maar zolang het niet vanzelfsprekend is dat je bij PostNL’er kunt zijn wie je bent, blijven we aan de slag. Daarbij is het belangrijk dat je jezelf verstaanbaar maakt zodra je met iets wezenlijks zit. Het is niet nodig om die zware last op je schouders te blijven dragen. Een gesprek op de werkvloer kan misverstanden en onbegrip wegnemen. Zo hoeft het zwijgen van een collega over jouw anders-geaardheid geen afwijzing te betekenen: soms weten mensen, óók managers, gewoon niet hoe ze het onderwerp gemakkelijk bespreekbaar kunnen maken. Laten we elkaar daarbij over en weer helpen. Onrecht en problemen pakken we aan. En als uit ons jaarlijkse motivatieonderzoek onder werknemers problemen naar voren komen, gaan we op zoek naar de oorzaken daarvan. Soms blijkt dat een personeelslid moeite heeft met het naleven van onze ‘business principals’. Dan gaan we natuurlijk het gesprek aan.”

Jack: “Bij PostNL Pride – dat nu zo’n vierhonderd leden telt – staan we open voor alle problemen en vraagstukken rond anders-geaardheid. Zo organiseren we de deelname van PostNL aan Amsterdam Pride, elk jaar in augustus, en het hele jaar door allerlei bijeenkomsten. Veel Post-NL’ers weten ons te vinden met hun vragen en verhalen. Als er klachten en problemen worden gedeeld, is dat wel vaak in strikt vertrouwen: vanwege onzekerheid, angst ook om de eigen homoseksualiteit aan de grote klok te hangen. Wat zou mijn collega ervan vinden, horen we dan, of mijn teamleider? Zo vertelde een medewerker buiten de Randstad dat hij op een buitengewoon nare manier wordt bejegend door zijn manager. Met hem blijf ik vertrouwelijk in gesprek, ik druk hem op het hart om over zijn angst heen te stappen, het gedrag van zijn manager met hem te bespreken, al dan niet met iemand erbij. Alleen door ze te bespreken, kunnen ongewenste kwesties worden aangepakt. Ik ben trots op wat we bij PostNL bereikt hebben, het is een geweldige werkgever op dit vlak. Maar er is nog steeds werk aan de winkel om ‘anders-zijn’ geaccepteerd te krijgen op alle niveaus in de organisatie, in alle regio’s van het land. We roepen iedereen dan ook op om zijn of haar eigen verhaal te delen via postnlpride.nl. Spreek je uit!”

Herna: “Wij zijn een bedrijf. Onze ‘business principals’, onze bedrijfsmatige normen en waarden, overstijgen geloof en levensovertuiging. We verwachten van elke PostNL’er dat hij of zij die normen en waarden kan omarmen. Dat gaat steeds beter: PostNL scoort hoog op de ladder van ‘inclusieve’ bedrijven, ook internationaal gezien. Voor mij gaat het niet om onze exacte positie op zulke lijstjes, maar om de boodschap die eruit spreekt: iedereen moet zich bij PostNL thuis kunnen voelen. Als dat uit zulke overzichten blijkt, ben ik blij.” Jack: “Veel mensen denken dat het wel goed zit met de acceptatie – en voor een groot deel ís dat natuurlijk ook zo. Maar toch merken we bij PostNL Pride nog te vaak dat PostNL’ers negatieve opmerkingen krijgen. Zelf hoor ik het ook: Jack, moet je weer aan de slag met die Pride-boten? Dat hebben we nu toch wel gehad? Nee, zeg ik dan, het tonen van onze betrokkenheid blijft nodig totdat anders-geaardheid volkomen geaccepteerd is.”

Jack: “Veel mensen denken dat het wel goed zit met de acceptatie – en voor een groot deel is dat natuurlijk ook zo. Maar toch merken we bij PostNL Pride nog te vaak dat PostNL’ers negatieve opmerkingen krijgen. Zelf hoor ik het ook: Jack, moet je weer aan de slag met die Pride-boten? Dat hebben we nu toch wel gehad? Nee, zeg ik dan, het tonen van onze betrokkenheid blijft nodig totdat anders-geaardheid volkomen geaccepteerd is.”

Herna: “Eens. Zolang er misverstanden zijn en onbegrip, blijven we ons binnen dit bedrijf actief inzetten voor gendergelijkheid en acceptatie.”